De DNA-merkertests om dragers van dwerggen en het waterhoofdgen binnen de populatie Friese paarden te identificeren zijn zo goed al klaar. De test zal al toegepast gaan worden voor de hengsten die einde dit jaar deel gaan nemen aan het Centraal onderzoek. Deze hengsten zullen direct na de Hengstenkeuring op dragerschap onderzocht gaan worden.
De komende maanden zal er gewerkt worden aan het routinematig kunnen uitvoeren van de tests, zodat deze ook beschikbaar kunnen komen voor fokkers. Voor fokkers  zal het interessant zijn om bijvoorbeeld fokmerries te laten testen.
Met het gereedkomen van deze merkertests is een belangrijke stap gezet in het verder uitbannen van aangeboren aandoeningen bij het Friese paard.
 
Het beleid van het KFPS ten aanzien van het gebruik van de DNA-tests zal gericht zijn op het snel, volledig uitsluiten van het geboren worden van dwerg- en waterhoofdveulens en het geleidelijk uitfaseren van dragers.
Met behulp van de DNA-tests zou het mogelijk zijn om de voor de afwijking verantwoordelijke (gemuteerde) genen in slechts één generatie uit de populatie te verwijderen, door alle dragers (mannelijk en vrouwelijk) uit te sluiten voor de fokkerij.
Dit is echter geen gewenste strategie, met name omdat een dergelijke verenging van de populatie zal leiden tot een toename van inteelt, in feite de veroorzaker van aangeboren aandoeningen. Het beleid zal daarom niet primair gebaseerd zijn op het uitsluiten van fokdieren, maar wel het voorkomen van risicoparingen. Uiteindelijk zal ook het aantal dragers in de populatie gaan afnemen.
 
De merkertests zullen derhalve met name ingezet worden om zogenaamde risicoparingen uit te sluiten. Risicoparingen zijn paringen van hengsten en merries die beide drager zijn van een aandoening. In het geval van dwerggroei en waterhoofd, leidt een paring van twee dragers in een kwart van de gevallen tot een afwijkend veulen. Is alleen een van beide ouders drager, dan zal er nooit een waterhoofd- of dwergveulen geboren worden.
 
Het geleidelijk uitfaseren houdt in dat er met het testen van hengsten vanaf dit jaar wordt begonnen met de jonge kandidaat hengsten voor het Centraal onderzoek. In het geval een hengst drager is van een van beide genen, betekent dit niet dat een hengst niet zal worden goedgekeurd. Dragerschap zal, na goedkeuring, wel worden gepubliceerd. Reeds goedgekeurde hengsten zullen niet worden getest. De belangrijkste reden hiervoor is dat merkertesten een zekere foutmarge hebben.
Hoewel het de inschatting is dat de foutmarge voor beide tests uiterst gering is, is het testen van goedgekeurde hengsten niet aan de orde. 
 
Het beleid van voorkomen van risicoparingen heeft er de afgelopen jaren al voor gezorgd dat het aantal waterhoofd- en dwergveulens fors gereduceerd is tot jaarlijks minder dan 10 gevallen. Goed overleg, ten aanzien van de hengstenkeuze, tussen fokker en hengstenhouder, met stamboomgegevens als uitgangspunt, vormt hiervoor de basis.
Met behulp van de DNA-tests zullen risicoparingen nog effectiever uitgesloten kunnen worden.
 
Fokkerij met behulp van DNA-tests (genomics) zal de komende decennia een grote rol gaan spelen in de selectie met name voor met kenmerken die gerelateerd zijn aan gezondheid. Momenteel wordt veel genomics-onderzoek gedaan, hetgeen moet gaan leiden tot DNA-test  voor meerdere aandoeningen van (Friese) paarden, zoals Osteochondrose, Staart- en maaneczeem, slokdarmverwijding, aortaruptuur, etc.
 
Het komende jaar zal het KFPS op verschillende manieren informeren over het beschikbaar komen van de tests en hoe deze kunnen worden toegepast.
 
Bron : www.kfps.nl